Kasteel, rivier, bomen…

Jan had een sterk talent voor de monoloog.
Hij sprak een stroom gedachten uit, associatief voortspinnend, in een levendig tempo. De gedachten leken klaar te liggen voor het moment dat zich een gespreksgenoot aandiende. Voordat ik het waagde er iets tussen te werpen moesten er wat decennia verstrijken.

Als twintigjarige kreeg ik van Jan analyse en harmonie op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Dit instituut was toen verspreid over meerdere, separate gebouwen in het centrum van de stad. Het gebeurde wel eens dat een klas die al uit weinig leerlingen bestond ook nog uitdunde. Zo kwam het dat ik als enige leerling overbleef bij Jan, in een lokaal dat onderdeel was van de Remonstrantse kerk aan de Laan. Er stond een Rippen-vleugel, toen vaak geminacht, nu een gezocht, duur cultobject.
Iedereen rookte, in alle ruimtes. Wij konden dus onze lessen invullen naar eigen voorkeur. Nu maakte ik kennis met de componentenanalyse en de manier om deze in beeld te brengen. Eerst zette men een tijdlijn uit, waarna, laag voor laag, de waarnemingen werden ingeschreven of getekend. Harmonie en tonaliteit, themagroepen, herhalingen en variaties, register, instrumentatie, ja, alles wat zich voordeed bracht je in beeld. Het bevrijdende van deze werkwijze was dat je van het geheel uitging en stap voor stap naar binnen werkte. Debussy’s orkestprelude naar Mallarmé was een van de onderwerpen en later Schumanns pianoconcert. Na de les wandelde ik met een roezig hoofd naar huis. Wat had ik geleerd? Het was niet te benoemen maar ik was een heel stuk verder.

Na de studieafsluiting gingen er heel wat jaren voorbij tot ik opeens Jans stem hoorde. Het was een radioprogramma rondom zijn zeventigste verjaardag, dus in 1988. Daar was weer die onstuitbare monoloog. Toen heb ik Jan, puur uit plezier om de vertrouwde herkenning, een brief geschreven. Het enige wat ik nog weet uit mijn brief is dat ik er Friedemann Bach boven al zijn broers inschatte. Jan schreef terug en dat werd het begin van een durende vriendschap. Toen pas durfde ik wel eens iets in zijn woordenstroom te opperen en tot mijn blijde verrassing luisterde Jan aandachtig en ging er meteen op in, vaak met hernieuwd elan. Dit werkte zelfs ook door de telefoon. Vriendschap was voor Jan iets heel waardevols.

De leerlingen van Jan in Den Haag naderen nu hun pensioen, of zijn al zover. In onze groep theoretici bleven nog altijd zijn uitspraken circuleren, en niet altijd dezelfde. Wat Jan als verrijking meebracht was ook zijn vertrouwdheid met Franse en Vlaamse cultuur. Meer dan eens sprak hij over Guido Gezelle en diens jongere neef Stijn Streuvels, met zijn overrijke streektaal. Deze zuidelijke oriëntatie is langzamerhand verflauwd. Studenten lezen brieven en biografieën van Ravel, Fauré, Milhaud en Debussy alleen in de Engelse taal.

In Den Haag hoor je componisten niet dwepen met geliefde muziek. Men verkiest alles koel en ambachtelijk te bekijken. De hoogste onderscheiding is verwoord in “goeie noten”. Toch, eens in een telefoongesprek, zei Jan met warmte: Dát is zo’n prachtig stuk. Het betrof de Siegfried Idyll.

In Jans ideale maatschappij werd in alle huizen gemusiceerd. Zelf spelen en zingen, waar mogelijk met elkaar. Voor deze ideale landgenoten heeft Jan veel muziek geschreven, voor allerlei instrumenten. Een natie was muzikaal gezond als er deze brede laag van huismuziek bleef bestaan. Deze brede laag was onmisbaar als voedingsbodem waaruit talenten konden opbloeien. Deze blik op de samenleving was de achtergrond van Jans ijveren voor staatsexamens. Hij vond dat al die mensen, die trouw en naar beste kunnen lesgaven, erkenning verdienden. Door een bevoegdheid te halen zouden zij wellicht meer zekerheid in hun beroepsleven verkrijgen.

In Jans composities, hoe kort soms ook, is altijd een basis van architectuur. Hij gebruikte graag de term “plattegrond”. Dit bouwmeesterschap uit zich in weloverwogen tijdsverhoudingen. Vermoedelijk heeft het Bachonderzoek van Henk Dieben, Piet Ketting en anderen hier een invloed gehad, want mij lijkt het niet Pijperiaans. Het ging bij Dieben en Ketting nog niet om de ietwat deprimerende notentellerij, maar om de levendige variëteit van de lengteverhoudingen tussen cadensen in fuga’s. Deze Bachonderzoekers hebben eens op de orgeltribune hun bevindingen gedeeld met Albert Schweitzer. Deze kwam immers regelmatig in Nederland concerteren. Schweitzer zei: Als ik dit eerder geweten had was mijn boek een heel ander boek geworden. Dit vertelde Jan. Schweitzer doelt op: Bach, le musicien-poète, 1905. Ook hield Jan van lettercombinaties die dan noten konden worden, en van verborgen motto’s zoals we dat van Schumann kennen. Menigmaal gaat zijn geliefde Aartje schuil achter deze persoonlijke symboliek. Wel Pijperiaans is bondigheid van motieven, de transparantie, de afwezigheid van dwepende sentimenten en tenslotte de nuchtere manier van afsluiten. Nooit triomfantelijke slotakkoorden die aan de applausreflex appeleren. Uitgepraat? Dan maar stoppen.

Een bron van verwondering en vermaak was het feit dat Jan in zijn lange leven één fiets heeft gehad. Dit was ter sprake gekomen bij het uitwisselen van onze liefde voor de Alblasserwaard. Jan had deze polder talloze malen doorkruist na vanuit Lekkerkerk te zijn overgevaren met de pont Krimpen aan de Lek – Kinderdijk. Jan wist veel van dit gebied en had waardering voor de streekromans van Johannes Willem Ooms. Deze Jo Ooms, geboren te Groot-Ammers, heeft in zijn werk een schat aan regionale taal bewaard. Op mijn verzoek heeft Jan eens wat notities gemaakt over deze legendarische fiets. Hij vertelt in de derde persoon:

”Jan woonde met zijn vader en moeder in Schagen toen hij 10 jaar werd. Van zijn tante Riekje uit Groningen kreeg hij een echte fiets. Er moesten wel drempeltjes op de pedalen, anders kon hij er niet op rijden, en dat was juist de bedoeling wèl! Hij zou gauw groot genoeg zijn en dan konden de drempeltjes eraf….

Hoe kwam die tante op het kado idee fiets voor haar neefje Jan – welnu, haar familielid, en ook het onze dus, had een fietsenwinkel en ook – daarbij – een fietsenfabriekje. En hij bouwde ze! Fongers was een voorbeeld, vond hij. Eén van zijn “merken” noemde hij “Long-way”. Zo een kreeg Jan. Hij kostte 10 gulden. En hij was heel sterk, want nu, na geboorte in 1928 staat hij in 2015 nog steeds voor de deur, wel “flink versleten”. –

Die Long-way fiets. Een handrem voor het voorwiel. Een terugtraprem voor het achterwiel. Een kettingkast. Een bagagedrager. Een bel. Later: een lantarenlamp en een “slot” op het voorwiel.”

Hier onderbreek ik Jan even. De voorrem was een bandrem, een rubbertje dat via een duwstang door het spatbord heen van bovenaf op de band gedrukt werd. Dat is niet erg effectief en blijft riskant bij hellende landschappen. Er is dus ooit een velgrem op het achterwiel toegevoegd, via een trekkabel met de linkerhand te bedienen. In het vervolg van het document vertelt Jan over het gebruik van de fiets. Ik geef een selectie.

“Naar school Gouda: fietsen. Naar Rotterdam: fietsen, naar conservatorium en naar concerten. Vakantieritjes, hij en zij samen naar van alles: Alkmaar, Castricum, Willige Langerak, Brugge, Groningen etc. –  N.B. Wij verhuisden van Schagen naar Lekkerkerk (1930/’31), vandaar de routes hierboven aangeduid naar Gouda en Rotterdam. –  En de fiets reed maar.

De oorlog tóch fietsen: samen door de Krimpenerwaard, maar ook naar Loevestein en naar Oisterwijk en Notsel (bij Breda). De fiets werd gedragen – door de brandende stad – op 17 mei 1940 van Rotterdam Oostplein tot de Westersingel. Noodreis, om te zien of medestudenten er nog waren…”

Jan vertelt dat hij dikwijls uit Lekkerkerk naar Den Haag moest om boeken uit de bibliotheek te halen. De Rotterdamse boeken waren meeverbrand. In het laatste oorlogsjaar“ bestond” Jan niet meer. Maar zijn fiets was ook niet meer te zien. Kortom ondergedoken, geen verdere details.”

”In 1945 – 1980 ontbloeide alles, ook het toerisme van Aartje en Jan. Géén auto, wel allebei een fiets. Jan de oudste (uit 1928 uit Groningen)”

Dan volgt een indrukwekkende lijst van bezochte plaatsen, waaronder Antwerpen, Dinant, Parijs, Calais, Bayonne, Bonn, Davos, Zuid-Frankrijk, Corsica. Dit alles dus op de Long-way. Niet in Jans lijst zijn tochten naar Oost-Europa opgenomen, tochten die er wel geweest zijn.

“Jans fiets was volmaakt geroest na een zeestorm tussen Nice en Ajaccio. Thuis terug weer opgeknapt. Fietsend naar La Rochelle, evenzeer als naar de Ardennen: Dinant enz.”.

Men had bij deze overtocht de fiets buiten op het schip gehangen, zodat een zoutwaterbombardement alle lak eraf geslagen had. In de jaren tachtig, wonend aan de Waal, dient de fiets om boodschappen te doen. Jan sluit zo af:
“En al fietsten ze minder ver, de boodschappen gingen vlugger per fiets dan te voet. Er werd verhuisd van Gelderland naar Brabant en daarna Holland waar nu de fiets van Jan, 87 jaar oud, naar Dordrecht staat te kijken.”

Dit schreef Jan op 97-jarige leeftijd. Ik denk dat de eenheid tussen mens en rijwiel, één biografie vormend, uniek is.
In 1946 verscheen bij Donemus: Fietstocht, vijf klankoefeningen voor piano. De delen: Kasteel, Rivier, Bomen, Trappen!, Schemering.

Uit de notulen van een vergadering van theoriedocenten in Den Haag 2 mei 1998, citeer ik – (Jan is daar dan al twintig jaar weg)

“Vervolgens memoreerde R.de M. nog eens de ideale docent (Jan van Dijk), altijd inspirerend, onvoorspelbaar en onmogelijk in pasklare schema’s in te delen.”

Klaas Trapman

Scheveningen, januari 2022