Guido Gezelle en Jan van Dijk

Jan van Dijk heeft zoals hij zelf zegt ‘veel noten te danken aan, gewijd aan Guido Gezelle’.. Deze ‘causerie’ door Jan zelf werpt o.a. een licht op hoe en wanneer Jan kennismaakte met Vlaamse literaire kringen, wat hem als hervormde Nederlander aantrok in de katholieke Vlaming Guido Gezelle, hoezeer het gedachtegoed van de Vrijmetselarij hierin een rol speelde en, zoals Jan dat zelf schrijft, hoezeer de inhoud van Guido Gezelle’s werken aan zijn eigen volwassenwording heeft bijgedragen.

Een componist en Gezelle

Causerie door Jan van Dijk, 1998.

Guido Gezelle.

Guido Gezelle werd in 1830 geboren te Brugge. Van zijn moeder, een boerendochter uit Wijnghem, erfde hij zijn godsvrucht, van zijn vader, een bloem- en boomkweker, zijn liefde voor de natuur. Hij studeerde in het Klein-Seminarie te Roesselare en in ’t Groot-Seminarie van zijn geboorteplaats, ontving in 1854 zijn wijding als priester, was daarna leraar aan verschillende inrichtingen in West-Vlaanderen en werd in 1872 onder-pastoor van de Onze-Lieve-Vrouwe-Kerk te Kortrijk, in 1898 Directeur van het Engels klooster in Brugge, waar hij in 1899 stierf.

Taal.

Zijn taal draagt de blijken van een ernstig volhardend streven om Middeleeuwse vormen, waaraan het West-Vlaams nog zo rijk is, te doen herleven in zijn poëzie.

Onderwijs.

Dit was wat ìk had geleerd omtrent Guido Gezelle, door de pen van L. Leopold in diens “Nederlandse schrijvers en schrijfsters”, tiende druk, Wolters 1926. Daar kwam bij, wat Albert Verwey over Guido Gezelle meedeelde in diens “Inleiding tot de nieuwe Nederlandse dichtkunst” (1880-1900), uitgave Wereldbibliotheek 1926.

Etalage.

Tóch intrigeerde mij deze Guido Gezelle, waarvan ik steeds meer verzen om mij heen verzamelde. Teksten, die zeiden wat ìk gezegd wilde hebben. De étalage, waarvan ik verslag wilde uitbrengen werd nog overtroffen in veelheid van onderwerpen door wat die Gezelle aansneed en wist te formuleren, zódanig, dat de schoonheids-ervaring er het gevolg van was.

En ìk?

Muziekstudie.

Ik componeerde muziek, ik studeerde muziek. Daarbij was ik van mening, dat – evenals Willem Kloos, die ooit schreef: “aanvankelijk had ik musicus, d.w.z. componist willen worden” –  de musicus componist is. Hij werd dichter, schrijver en ik, hoewel pianist in spe, werd componist. Ik vond pianist geen einddoel, maar ik zeg erbij, dat ik vanaf m’n tiende jaar niet kon nalaten “muziekstukjes te bedenken”.

U kent nu de plattegrond van mijn uitgangsstelling.

Brugge.

Welnu, in de dertiger jaren begeleidde ik in Brugge een hoboïst en kwam ik door een en ander bij ene meneer Lateur, kerkelijk beeldhouwer, wonende aan de Rolweg. Bleek in het gesprek, dat de in zijn huis geboren Guido Gezelle zijn oom was en dat zijn broer onder de naam Stijn Streuvels auteur was van boeken, waarvan ettelijke door mij waren verslonden: denk aan “Prutske” en aan “De teleurgang van de Waterhoek” en zo. Ik bleek in een omgeving terecht gekomen, die bekend en actief was in de verdediging van het Nederlands in België. Veelal door de aanval op franskiljons die dit leken te willen voorkomen. Het waren de dagen waarop het “arrêt du train” met teer of ander zwart overgeschilderd werd met “treinstilstand”. Temidden van dit taaltumult (’t Is nog niet geheel voorbij!), die strijd tussen Waals en Vlaams, leefde de taalbewuste Guido Gezelle. Dát het spande bleek uit tijdschriften, toespraken, stromingen in de litteratuur, beeldende kunst en muziek. Van Conscience naar Van Ostayen en Claus, van Peter Benoit naar Meulemans, De Vreese en Goeyvaerts, het zijn hele evoluties!  De Lathemse schilders!!                                                                        

Maar goed, deze causerie, dit babbeltje, mag niet ontaarden in een college over de geschiedenis der Belgisch-Nederlandse, c.q. Vlaamse cultuur. Dat patrimonium is er, U kunt Uw weg ermee afleggen!

Een componist en Gezelle.

In 1938 schreef ik een Pastorale voor fluit, piano en strijkkwartet of strijkorkest. Motto van het stuk, wat ik in Gistel ontwierp (ik zwierf in die tijd nog al eens – op de fiets – door de Vlaanders), was een Gezelle-citaat:

“Neen, ’t en kan geen snare talen,
die zo zoete om horen is
als ’t gerep der roggestalen,
als ’t geroer van ’t koren is “.

(Tijdkrans, 1893)

Dit stuk was het begin.

De eerste uitvoering had plaats in het Conservatorium te Rotterdam o.l.v. Willem Pijper, die toen mijn leermeester was… Uit een soort erkentelijkheidsgevoel t.o.v. het Vlaanderen van toen, m’n componeer-aanleiding, “invals-bron” zegt men wel eens, droeg ik het stuk op aan Joseph Ryclandt, toen de bestuurder van het Conservatorium van Brugge, in de Jacobsstraat, in hetzelfde gebouw als nú nog!
Hij (Jos Rycklandt) deed het stuk dáár uitvoeren en ik ontdekte – ontdekken ging toen door lezen, reizen, concerten, bibliotheken enz. – dat hij (Jos Rycklandt) hele fraaie composities had geschreven en nóg schreef (zoals de hoboïst mij vertelde) op o.a. Gezelle teksten.

Ook Berthe Seroen, toen befaamd zangeres en muziekpedagoog, gaf mij informatie over liederen op Gezelle-teksten. Componist Lodewijk Mortelmans was wel de grootste op dat gebied, naar het mij toen toescheen. Nog trouwens!!
In die tijd gingen ook de eerste opvoeringen van het Heilig-Bloed-spel met muziek van Meulemans bij teksten van pater Josef Boon. Ook dat maakte indruk.

Standpunt.

U hoort, ik heb het steeds over “toen”. Ik citeer graag de apostel Paulus, die aan de gemeente van Corinthe schreef (hfdst. 13, verzen 11 en 12):    
“Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een man geworden ben, heb ik afgelegd, wat kinderlijk was. Want nú zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht”.

Wie was Guido Gezelle toen voor mij? En wie, wat, NU?

In 1939 ontstonden Vijf Kleengedichtjes voor zang en piano. Zij werden opgedragen aan Stijn Streuvels, die in Ingooigem de ‘wereldpremière’ realiseerde. Daarna veel uitvoeringen van deze liederen door o.a. Jo Bollekamp, Piet Böhm, Piet Struyk, Leo Biesta, Coré van Schayk, Akke de Vries en anderen.

De teksten:

“’t Begijnhofklokske luidt   
ach,lieflijk is ’t om hooren,
hoe ’t neersig belt en bidt:
”Kom bin, Kom-bin, Kom-bin!” “

(28-9-1896)

“De dood, wat is de dood  
herdenkt, o mens, een stonde”.

(1896?)

“De Leye leidt mijne ogen,
lijze en langzaam loopend, henen,
tot waar zij, tenden uit, en ten-  den al dat zichtbaar is,
in het grauwe van de neveldamp
verdoken en verdwenen,
mij meêleed, tot in ’t verste van 
heur’ diepe duisternis”.

(12-10-1896)

“De zonne boort een gat    
 in ’t morzig wolkenduister,  
en plotseling herleeft, 
vol paradijzenluister,
weer, om en over al, 
de schoone lentemaand!”  

(1894?)

“ ‘k Voele een traan mijne ogen te ontzwellen 
als ik denke: ’t is voorbij”.  

(1859?)

Volgden nog tien Gezelle-liederen, ontstaan tussen 1939 en 1944. En, zoals van ’t een het ander komt, rond 1950 ontstond op verzoek van diverse zangers een orchestratie van vijf van de tot nu toe vijftien liederen. Dat werden: ’t Begijnhofklokske, ’t Is stille, Waar gaat gij, De zonne en ’t Is Voorbij.

De teksten van 2 en 3:

“ ’t Is stille, stille, allengerhand,  
en weêrom wordt het avond; 
het zomerlicht is henen, ’t is  
een ander land nu lavend; 
’t is stille, stille…zoetjes vaart   
dat roerde alom, te rustewaard.”

(4-9-1897)

Het “Jesu, wijs en wondermachtig” werd in 1952 gezet voor alt met hobo en orgel en in 1954 voor bariton met fluit en strijkorkest.

Dan wordt het 1960, voor er weer noten bij Gezelle ontstaan. Ditmaal een heel ander genre: Schimmelpenninck voor gemengd koor met “huis-muziek-orkest”, in opdracht van de Vereniging voor huismuziek. Van dit stuk verschenen nóg twee versies: één voor de Harmonia-uitgave en een voor koor met symfonie-orkest. (voor Jo Ivens en het Hulster Gemengd Koor)

De tekst – minder bekende Gezelle – is als volgt:

Heer Schimmelpenninck weet van sparen:     
jaren at hij boter, vleesch noch visch! 
Dat erger is, 
Heer Schimmelpenninck is in ’t geven, 
even milde of waar ’t een varwe koe, 
en nog niet toe. 
Nochtans heeft hij veel geld gewonnen, 
tonnen gouds: hij voerde koopvaardij, 
en kocht daarbij 
het goed te Schimmelpenninckhoven, 
boven d’honderd-vijftig bunder groot… 
en, gaat hij dood,  
wat zal heer Schimmelpenninck hebben? 
Rebben, rompe en al in ’t graf geleid.
PLUS de eeuwigheid!

(1881-1882)

U zult bemerkt hebben, dat, vanaf het begin, allerlei onderwerpen, gegevens, reden werden tot ontstaan van muziek, Al die dingen – ik sprak in het begin van een étalage – waren er bij Gezelle èn in schone vorm. Als tekst!

Wie, wat, was Guido Gezelle toen en wie, wat, was hij later?

Commentaren.

Er is geschreven, gespeculeerd, een soort biograaf schreef “Mijnheer Gezelle”, maar het meest perspectiefrijke essay tot begrip van Gezelle komt van de hand van Rem Reniers (1908, Diest, doctor Germaanse filologie van de VU Brussel, leraar Athenée Royal in Ukkel en Koninklijk Muziekconservatoium in Brussel). Deze schrijver dacht na over wat in de teksten staat en wat de – eventuele – relatie met materiële gebeurtenissen in het leven van Guido Gezelle zou kunnen zijn.

Voor mij werd Gezelle steeds meer de vormgever van een bijna pantheïstisch existeren enerzijds en een “groot” katholiek anderzijds. Natuurlijk had hij als seminarist (daarna levenslang student) “de filosofen” bestudeerd en wist véél meer dan hij na zijn priesterwijding op de gelovigen mocht overbrengen.

Spanningsveld.

Dit spanningsveld: een gestroomlijnd instituut en een vitaal ontwikkelend proces, bevatten de relatie tussen theologische zekerheden en filosofische vraagtekens, dit spanningsveld leidde bij Guido Gezelle tot al die op sublieme wijze gevormde verzen, die dit fragiele evenwicht verbeeldden.  
Dit evenwicht was voor mij de aantrekkingskracht van Guido Gezelle. Ik kende twijfels, onzekerheden, maar had niet de kennis omtrent het spel tussen willen en mogen, dat Gezelle door zijn wijsheid zo subliem vormgaf, symbool voor de verhouding filosofie-theologie i.c., die verhouding toegespitst op de periode van ca. 1500 jaar kerk en 2000 jaar christendom.

De étalage waar ik van sprak, de veelheid van categorieën, die inspiratiebron waren voor Gezelle en waar ik mijn noten mee kon identificeren, die étalage toonde mij geleidelijk aan de Gezelle, zoals ik hem – met Paulus’ woorden – man geworden voor me ging zien, dit nieuwere inzicht onderstrepend.

Reniers.

Het essay van Reniers, waar ik het over had, heeft als titel: “Guido Gezelle, katholiek vrijmetselaar”. Hij behandelt summier de voornaamste vrijmetselaarsuitgangspunten, beziet de relatie tussen Gezelle’s geheime actiegroep “van ons” en de Katholieke Vrijmetselarij, zijn relatie met Londen, met Alberdingk Thijm, zijn Vlaamse activiteiten en zijn plaats in internationale context. Kortom: hij (Reniers) onderbouwde voor mij, waar ik als veronderstellingen t.o.v. Gezelle mee leefde.

Inzicht.

Dit nieuwere inzicht, deze nieuwe invalshoek op de étalage, waar ik al meerdere malen over sprak, maakte, dat er weer composities op Gezelle-tekst, dan wel met Gezelle-tekst als motto ontstonden.

Stabat Mater.

Het eerste “grotere” werk is de in 1978 gecomponeerde cantate Stabat Mater voor mezzo-sopraan, tenor en strijkorkest. Dit werk ging in Brugge, Gent, Antwerpen (K.V.O.), Turnhout en Tilburg, tijdens een tournee van het T.B.O. (uit Tilburg) o.l.v. Louis Dispa. Solisten in dit stuk waren Dina Grossberger en Guus Smeets. Tijdens deze tournee werden ook de Vijf Gezelleliederen met kamerorkest uitgevoerd, ditmaal met Josje Rademakers als soliste. 
(De première van de Vijf Gezelleliederen met kamerorkest werd gegeven door Akke de Vries en het Nederlands Radio-kamerorkest o.l.v. Maurits van den Berg.)
Eén deel uit de cantate, het eigenlijke Stabat Mater werd ingericht voor mezzo-sopraan met cello-solo. De teksten van deze cantate stammen uit Gezelle’s jaren 1893 – 1899, alle uit de “Laatste Verzen”.

De tekst:

Vol goedheid en vol vriendschap onversleten

Hier zitte ik op mijn ongemak
Heel verarbeid heel vermoeid,
zit nabij den boord te wachten
Hoe eer ik ware dood geweest 
hoe min ’t hem ha’ gespeten.

Mij schielijk is een vreemde ontroeringe ingevallen: 
is stervende iemand of ben veeg ik zelf 
misschien bestemd om heen te gaan?

‘k Zie U geren blauw en blank,
blank en blauw geweven wolken… 
Wolken die den Hemelgang

Moeder stond zij, vol van smerte, naast het kruis 
en ’t brak heur herte, dat heur kind 
daar hangend was.

Mijn schamel, schamel kind, hoe geren zou ‘k het wezen 
van uwe eenvoudigheid zien staande blijven, dat.

Gij zijt, en zult het altijd wezen, 
zoo God u schiep, een vrije geest
geen lichaam,
eene ziel, 
na dezen.

Dan volgt, in 1980, Virago voor mannenkoor a capella. Ook van dit gedicht wil ik U de tekst niet onthouden, ’t is wat minder bekend.

Virago.

Dat handhaaft de vorke, 
dat handhaaft de koe: 
dat werkt als de beste  
van ’t boerengedoe; 
dat bidt in de kerke; 
dat wiedt op het land, 
dat mint en dat moedert…!  
Van herte en van hand, 
en is er geen vrouwvolk, 
rechtzinnig gezeid, 
als, hier in ons Vlanderen,
de dorpsvaste meid.

Daarna duurt het tot 1995, dán ontstaat een serie van 12 liederen op teksten van Guido Gezelle. In 1996 ontstaat “Te Brugge”, een instrumentaal stuk voor fluit, altsaxofoon en piano met motto’s van Gezelle. 

De citaten:

Te Brugge in de oude vaderstad 
die eens vol rijke koopmans zat,

… het worden van de zonnedag.

Avondstond, mij wille komme:  
daar en ruit geen vogel meer.

Het laatst ontstane muziekwerk: “Zeven teksten van Gezelle, getoonzet om door mannenkoor gezongen te kunnen worden”. Opus 940, 1997.

U ziet, ik heb veel noten te danken aan, gewijd aan Guido Gezelle. De perioden waarin:           

1939 – 1950    —-       Pastorale en liederen.                                                                                                     1960                —-       Schimmelpenninck. 
1978 – 1980    —-       Stabat Mater en Virago. 
1995 – 1997    —-       Te Brugge, liederen, koren.

De diversiteit van onderwerpen (zou te rubriceren zijn, maar daar zie ik nu van af!) en de muzikale benadering zijn in de verschillende perioden niet hetzelfde (maar van technisch-muzikale uitweidingen zie ik vandaag ook af!)

De mens.

Gezelle, met niet alleen een levensbeschouwing, maar evenzeer de behoefte om die naar buiten te laten blijken als een levenshouding, doorliep het proces van seminarist met z’n confrèrie  “van ons” tot volwassen katholiek vrijmetselaar. Anders dan de “meneer”, die als huisvesting van de dichter, de pastoor, de flamingant, de politicus, de geleerde, de filosoof, was de “meneer” de uiterlijke verschijning c.q. de onontkoombaar uit de organische samenhang van al die aspecten voortkomende levenshouding van de MENS Gezelle. Met gevoel voor symboliek, vrijheid, verdraagzaamheid, verantwoordelijkheid, zelfverwerkelijking en broederliefde, c.q. BROEDERSCHAP.

Deze savante mens was voor mij een intrigerend model, van wie ik de hand greep tot voortgang in het eigen proces.

Met de eigenschappen, die de vrijmetselaar poogt in de praktijk te benutten en handhaven was Gezelle een groter en schoner katholiek. Zoals Goethe daardoor een groter en schoner staatsman en Liszt een groter en schoner toonkunstenaar.

De persoonlijke verantwoordelijkheid scherpt aan, wat de stiel ook is…….

Slotwoord.

Een componist en Gezelle. In mijn causerie had ik het over het essay van Rem Reniers. Ik wil besluiten met diens slotwoord van zijn essay, wat mij de voortzetting van de weg verlichtte:

Guido Gezelle.

“Wat er verandert door dit boek? Feitelijk alles, en eigenlijk toch niets; want Gezelle als katholiek en als dichter blijven onaangeroerd. Alleen wou ik ze groter dan zij waren.

En eigenlijk niets, maar feitelijk toch alles; omdat de gronden waarop dit oordeel berust, nu geheel gaan verschillen. Wij hebben Gezelle al te lang uitsluitend gezien tussen zijn blommekens en flieflodderkens; hij zou geen belangstelling gehad hebben voor publicatie van zijn gedichten omdat hij geen praktische zin had, zo iets als een kip die een ei legt en niet weet welke de prijs op de markt is;de nachtegale-schuifelare streek neer op een tak en zong, zo spontaal, zo naïef, zijnen Schepper ter eere; hij was een onnozel genie of een geniale onnozelaar.  
En wij hebben zijn mijmerende, monkelende kop met die enorme schedel op onze boekenkast gezet, en hebben ons geërgerd toen een sarcastisch aangelegde vriend – die al had opgemerkt dat er in al die gedichten toch niets anders stond dan dat de mens God moet loven in de natuur – ons wilde ontnuchteren door langs zijn neus weg te smalen dat het toch maar een waterkop was.

Nu weten wij dat Gezelle geen onnozelaar en geen waterkop is geweest. Indien dit borstbeeld door deze studie moet verdwijnen, treur er niet te veel om : het was toch maar van pleister.

En als U vraagt door welk “beeld” wij het moeten vervangen, is mijn antwoord met goede referenties : Gij zult geen gesneden beelden maken.

Want Gezelle is alles tegelijk geweest, een taalvirtuoos, die in zijn probeersels duchtig naast de toetsen klopte; groot in zijn culturele verzuchtingen, en klein in zijn dorpspolitiek; eerlijk in zijn streven, en geslepen in zijn berekeningen; spiritualist met zijn hoofd in de wolken, en tevens als modderen man geplakt aan het leven, zoals wij allen, mensen, verscheurd in onze eigen contradicties.

Laat Guido Gezelle eindelijk een mens worden. Zo is hij ons dierbaar”.

Zang en piano:           Tien Gezelle-liederen             1939 – 1944

Jesu, wijs en wondermachtig
’t Is stille
’t Pardoent
Het strooien dak
Alles zweeg
Waar gaat gij
Zilverwitte abeelen
De snee lag op de daken
Reeds jaren

Mannenkoor a capella: Zeven teksten van Guido Gezelle, getoonzet om door mannenkoor gezongen te worden. 1997

Nieuwjaar
Hoe schoon de morgendauw
Den enen diamant
De mane
Weg, weg
Geen zwaarder kruise
Zingen